|
De sporten van de winterspelen!
1-ijshockey 2snowboarden 3-bobsleeën 4-alpineskiën 5-rodelen 6-skiën 7-schaatsen 8-curling 9-biatlon 10-shorttracks
Snowboarden
Bij de parallelreuzenslalom moeten de snowboarders zo snel mogelijk symmetrisch uitgezet parcours afdalen. De poortjes op de parcours moeten om de beurt links en rechts gepasseerd worden. De parallelreuzenslalom is een spannend alpine snowboardonderdeel, waarbij man tegen man wordt gestreden op reuzenslalom. Na de kwalificatieronde strijden de 16 snowboarders in een knock-out toernooi op twee naast elkaar gelegen parkoersen totdat er een winnaar overblijft. In halfpipe-wedstrijden worden acrobatische bewegingen uitgevoerd in een halve cilinder gevormde baan. Deze halfpipe is in het algemeen 3 tot 4 meter diep en 110 meter lang. Punten kunnen gescoord worden voor standaardfiguren, rotatie, amplitude, landing en technische waarde.
Alpineskiën
Alpine skiën bestaat uit 5 onderdelen: slalom, reuzenslalom, super G, afdaling en combinatie. De slalom en de reuzenslalom zijn technische onderdelen en bestaan uit 2 runs. De super G en de afdaling zijn over één run en bij deze twee is de snelheid het belangrijkste aspect. In de boven genoemde volgorde, van slalom naar afdaling, wordt het onderdeel langer, steiler en sneller met minder poortjes en minder wendingen.
Schansspringen
Sinds 1964 is het schansspringen onderverdeeld in twee onderdelen: de 70 m schans en de 90 m schans. Elke deelnemer maakt 2 sprongen de sprongen worden beoordeeld op 2 onderdelen: de afstand en de stijl. Het bovenlichaam wordt in zo'n klein mogelijke hoek ten opzichte van de ski’s gehouden en het lichaam is gestrekt met de armen naast het lijf. De brede ski’s worden zo horizontaal mogelijk gehouden en evenwijdig aan elkaar. Bij het neerkomen moet het lichaam van de springer loodrecht op de ski’s staan. De armen worden dan gebruikt om het evenwicht te bewaren.
Shorttrack
Sinds 1994 staan ook alleen 1000 m voor de vrouwen en een alleenrijdende 500 m voor de mannen op het programma. Shorttrack wedstrijden worden verreden op een baan van 111,12 m lang. De bochten zijn aangegeven door een aantal blokken en er zijn stootkussens tegen de boarding van de baan geplaatst. De schaatsen zijn aangepast aan de korte baan en de scherpe bochten. Het ijzer van de linkerschaats wordt meer naar buiten geplaatst en onder de rechterschaats plaatst men het ijzer meer naar binnen. Door deze aanpassingen kan de schaatser heel erg schuin in de bochten hangen; soms zo schuin dat met de linker hand het ijs wordt geraakt. Bij de ploegen- of landenwedstrijden lossen de rijders elkaar af door de teamgenoot een duw te geven. De volle, kleine baan, de verschillende aflossingen en de onvermijdelijke valpartijen zorgen vaak voor een leuke wedstrijd.
Kunstschaatsen
Volgens de regelementen van de Internationale Schaats Uni (ISU) wordt het kunstrijden op de schaats verdeeld in de onderdelen: solorijden (dames en heren), paarrijden en ijsdansen. De 9 leden van de jury waarderen de prestaties met de cijfers 0 tot 6, met 6 als hoogste score. Bij kunstschaatsen is het de bedoeling om de mooiste sprongen of bewegingen te maken zoals de piroët en de schroef dat zijn er twee. En het is heel belangrijk om te lachen naar het publiek en de jury. Kunstschaatsen kan je ook met z`n tweeën doen, maar ook alleen.
Langlaufen
Langlaufen is dat je honderden kilometers moet skiën of lopen. Langlaufen is moeilijker dan skiën want de ski's zitten aan de onderkant los. Het is heel erg moeilijk om op een heuvel of klein bergje te komen. Je mag je stokken erbij gebruiken. Ook ga je niet zo hard van een heuvel af omdat de ski's aan de onderkant niet zo glad zijn als bij de gewonen ski's. Het is daarom heel erg zwaar.
|